Boeddha’s glimlach in de stad

Wat gebeurt er als je plezier bij plezier voegt? Dan heb je dubbel plezier. Zo eenvoudig werkt de optelsom op zondag 11 januari 2009 in de Bozar. Die dag luidt de laatste week in van The Smile of Buddha, een tentoonstelling over boeddhistische kunst in Korea. En om 18u van diezelfde dag beleeft de documentaire film Boeddha in de stad zijn tweede Europese première, na een eerste uitverkochte voorstelling in de Brusselse Beursschouwburg.

Mijmeren over de stad

Film

Wat hebben film en tentoonstelling gemeen? Veel méér dan een louter strategische bundeling van krachten. De interlevensbeschouwelijke vereniging Axcent vzw stuurde filmmaker en zenboeddhist Konrad Maquestieau op pad met een vragenlijstje over boeddhisten in Belgische steden. Hoe leefden ze? Wie waren ze? Wat deden ze? Hoe brachten ze hun tijd door in de grootstad, tussen wolken lawaai en uitstoot? Droegen ze allemaal saffranen gewaden onder hun kaalgeschoren hoofden, ook zij die hier geboren waren? Of waren er ook in burger? En vanwaar die glimlach? Was die echt eeuwig? En waarom die sympathieke vooringenomenheid van het publiek? Wat hadden ze, dat wij niet hebben? Of hadden ze niéts bijzonders?

De brandende nieuwsgierigheid resulteerde in een film die nu al een mijlpaal mag worden genoemd. In Boedha in de stad komen monnik en leek, autochtoon en allochtoon, Europeaan en Aziaat, man en vrouw, academicus en arbeider, jong en oud aan het woord over hun boeddhistische identiteit. Maquestieau’s camera wordt binnengelaten op onvermoede plaatsen van gebed en meditatie, is de bevoorrechte getuige van eeuwenoude ceremoniële gebruiken en legt als allereerste het rijke boeddhistische leven in België vast. En op de achtergrond van dit alles de basso continuo van de pulserende stad, waar het voor niemand gemakkelijk is te ontsnappen aan de samsara, – de boeddhistische wentelgang van begeerte en lijden.

Tentoonstelling

De tentoonstelling The Smile of Buddha is opgebouwd rond één van de mooiste beelden die ooit aan mensenhand ontsprongen is. De mijmerende bodhisatva met lotuskroon mag dan achter beschermend glas zitten, van zijn lichtjes voorover nijgend bovenlichaam, het gracieuze gebaar waarmee hij met enkele vingers van de rechterhand zijn wang beroert, en de sublieme uitdrukking op zijn gelaat die aarzelt tussen melancholie, ironie en diep verzonken rust al naar gelang de invalshoek die men kiest, gaat een betoverende ontroering uit die de toeschouwer tot stilstaan noodzaakt. Er zijn geen woorden voor, tenzij de historische uitleg op het tentoonstellingsbordje:

Als jongeling was prins Siddharta (= de jonge boeddha) op een dag in diepe overpeinzing verzonken toen hij de landbouwer zag ploegen op het veld. Bij de gedachte dat allerlei dieren in de grond zwaar leed ondergingen door de ploegschaar, raakte hij spontaan zijn wang aan.

De boeddhistische traditie spreekt in haar bijzonderheden nog sterker tot de verbeelding. Daar heet het dat de kleine prins met zijn vader op een dag aan de rand van een akker ging zitten. De ploeg van de landbouwer woelde de aarde om, een wormpje kwam boven te liggen, een vogel kaapte het wormpje weg, en het onthutste prinsje liet onder de schaduw van een boom zijn leedwezen de vrije loop: “helaas! Staan dan alle wezens elkaar naar het leven?” Jaren later, ook weer onder een boom, zou het antwoord met Boeddha’s Verlichting komen, waar de mijmerende bodhisatva van de tentoonstelling op preludeert. Het beeld is ten voeten uit wat mensen in het westen onwillekeurig met het boeddhisme verbinden: een “filosofie” van onbewogen meditatie in antwoord op het mentale lijden dat alles en iedereen op sleeptouw neemt. Een “tapijtje van rust in een stad van onrust”, zegt één van de protagonisten in de film.
Film en tentoonstelling

Een antwoord op het lijden (© Bozar 2008 Foto: Mikaël Falke / National Museum of Korea, Seoul

Of anders een kussen van rust: dáár vinden de zenboeddhistische bekeerlingen in Maquestieau’s Boeddha in de stad soelaas op. “Nous n’allons pas remplacer les vieilles croyances par des nouvelles croyances” verkondigt een Franse zenmeester niet zonder triomfalisme. Wat hem voor ogen zweeft is een uitgepuurd boeddhisme dat afrekent met de godsdienstige tierlantijntjes van weleer, de muren witkalkt, de ruggen boven het meditatiekussen opricht en de blik naarbinnen voert, langs de onmetelijke melkwegen van ons mentaal universum, waar het lijden van de wereld zijn oorsprong én zijn uitweg in vindt. Zo hebben ook de inrichters van de tentoonstelling achter de glazen kast van de bodhisatva een zentapijt met dito kussens uitgespreid, om ons het boeddhistische verband tussen lijden en meditatie in te prenten. Maar wie even een stap terugzet ontdekt in de schemerige toonkasten een ander boeddhabeeld, ditmaal niet in eigengereide meditatie, maar opengesteld op de zintuigelijke werkelijkheid. De Bhaisajyaguru of medicijnboeddha is een meester van de geneeskunde. In zijn linkerhand houdt hij een kom vast met geneeskrachtige kruiden. Hij schiet die mensen te hulp die het niet alleen kunnen. Hij geneest de wonden van de geest maar ook die van het lichaam en is in sommige tradities inzetbaar tegen hongersnood, droogte, pest en andere calamiteiten.

Voor wie er even bij nadenkt is die laatste boeddha op zijn zachtst gezegd een correctie op de werktuigelijke vereenzelviging van boeddhisme en therapeutische meditatie. In de ogen van miljoenen boeddhisten is boeddha veel meer dan een leermeester die inzage verschaft in de mentale processen van ons ego. Hij is hun toevlucht en redding en daarom is hen er alles aan gelegen om met collectieve rituelen en gebeden zijn genade over hun hoofden af te roepen. Het bewijst Maquestieau’s grote onbevangenheid dat hij ondanks zijn zenboeddhistische achtergrond oog heeft gehad voor de wereldwijde pluriformiteit van het boeddhisme dat ook in onze eigen steden op een traditie, ja, op een religieuze traditie neerkomt.

Zeker weten, het boeddhisme ís een religie en niet alleen een “filosofie” (zoals het cliché het wil), al was het maar omdat zoveel tegenstrijdige vormen en meningen er de complexe en onherleidbare rijkdom van uitmaken. Kijk eens hoe verschillend boeddhisten in Boeddha in de stad op de grond zitten (als ze al niet een stoel gebruiken). Sommigen zitten afgezonderd in lotushouding. Anderen vormen strenge rijen van naar elkaar gekeerde ruggen en staren op de kale muur. Nog anderen knielen achter elkaar met hun gezicht naar het leger boeddha’s op het altaar of naar de monniken die de gebeden voorzingen.  Zegt dat niet iets over de verhouding tussen individu en groep die iedere school weer anders invult? En kijk eens naar de frappante contrasten in decor en rituele aankleding. Een orgie van goud en oranje en groen en geel met rook en water en vlaggetjes en gewaden en dikbuikige boeddha’s uit de Theravada of Tibet steekt schreeuwerig af tegen het smetteloze grijs-blauw van de spartaanse Zen. Ontwaren we daar niet de archetypische tweespalt tussen ingetogen ascese en barokke uitbundigheid, die klaarblijkelijk niet alleen in het christendom maar in andere grote religies de gemoederen verdeelt?

Overgangen en tegenstellingen

Of luister eens hoe in de film het boeddhisme door de eigen adepten wordt verwoord. De Europese zenmeester noemde het zo-even een authentieke beleving die de oude geloofsvormen vooral niet mag vervangen door nieuwe. De Tibetaanse monnik, doorkneed als hij is in de dialoog met westerse atheïsten, lacht het religieuze gehalte van zijn traditie weg. De Laotiaanse vluchteling voor wie de pagode een sociaal houvast biedt beroept zich juist op de voorouderlijke traditie die hem trots en continuïteit verleent. De jonge Belg bewondert de aanmaning van de boeddha om zich op het eigen meditatieve vermogen te verlaten, en geen verre hemel aan te roepen. Zijn al wat oudere landgenoot neemt, andersom, zijn toevlucht tot een boeddha die hem redden moet “omdat niemand het op eigen houtje kan”.

Naarmate de tentoonstelling The Smile of Buddha vordert, overkomt de bezoeker een gelijkaardige indruk van wondere diversiteit. De intieme en monochrome eenvoud van de boeddhabeeldjes (knap geënsceneerd onder de gedempte spotjes) waaiert uit in een explosieve veelvoud aan rituele en ceremoniële vormen en kleuren. Plots lijkt de tentoonstellingsruimte in zijn voegen te kraken: de eerste draken verschijnen boven hun vlaggemasten. Monsterlijke grimassen aan de nokken van tempeldaken houden de boze geesten op veilige afstand. De toeschouwer wordt in een wemelende kosmogonie binnengeleid, met manshoge hemelboeddha’s en vervaarlijk loensende hellewachters. In de meditatieve schemer van daarstraks had de zenboeddhistische leegte het laatste woord. Thans lijkt de apocalyptische schilderkunst bezeten van het horror vacui: er kan geen figuur meer bij, het oppervlak is letterlijk volgeschilderd met menselijke agitatie, helse tormenten en paradijselijke verrukkingen die elkaar de voorrang betwisten. Jeroen Bosch is nooit veraf. Het Koreaans boeddhisme is de religie van de grote massa.

Wemelende kosmologie (© Bozar 2008 Foto: Mikaël Falke)

Verderop in de tentoonstelling roepen rituele spiegels, wierookbranders, sutrakoffertjes, bronzen handbellen, amuletten, relikwieschrijnen en watersprenkelaars  een wereld van ceremoniële drukte tot leven waarvan Schopenhauer zei dat het een beproefd middel bood tegen de menselijke verveling. Diezelfde drukte weet Konrad Maquestieau tot in de klankband van zijn film te verwerken. De abrupte overgang van de eenstemmige en onbewogen meditatie van een westerse zengroep naar de chaotische bedrijvigheid in de Laotiaanse pagode van Laken bij het vieren van het boeddhistische nieuwjaar, is kortweg magistraal. Men kan schamper doen over deze ritualisering van het boeddhisme en als westers sympathisant hardop dromen van een mythische terugkeer naar de “oorspronkelijke leer” van de boeddha, die god noch profeet was, maar “een gewone mens” met een “menselijke natuur”. Maar zo werkt geen enkele levensbeschouwelijke traditie. Film en tentoonstelling tonen beide op hun eigen manier aan dat religie restloos is wat de mensen ervan maken. Zonder mensen, geen overdracht, geen traditie, geen schoonheid, geen kunst, geen waarheid. Wie de ui zijn schil ontneemt, houdt niets meer over.

Christof Grootaers (Axcent vzw)

, , ,

1 Comment

  1. goeieavond, het boeddhisme spreekt mij enorm aan , ikzelf kan niet in brussel geraken maar ik zou wel graag de film zien, is er kans dat de film ook in brugge getoond wordt? of zou hij eventueel aan te kopen zijn op dvd?
    hartelijk dank bij voorbaat

    beste wensen voor 2009
    groetjes
    gerda

Leave a Response